|
Toenemende Stratigrafische RangesAnticreationisten leggen vaak veel nadruk op de ‘volgorde in het fossielenarchief’. In de aardlagen zou er van onder naar boven een consistente volgorde van verschillende typen fossielen te zien zijn, die het gevolg is van de evolutionaire opeenvolging van levensvormen. En, zo redeneert men, dit is in tegenspraak met de opvatting dat de aardlagen ontstaan zouden zijn tijdens de wereldwijde zondvloed die in de Bijbel beschreven wordt. Want tijdens zo’n overstroming zouden alle organismen door elkaar heen gehusseld worden, en zou er geen duidelijke volgorde ontstaan. ‘Volgorde’ en de geologische kolomDeze volgorde is zo duidelijk dat geologen een ‘geologische kolom’ hebben opgesteld, waarin de aardlagen zijn onderverdeeld op basis van de fossielen die er in voorkomen. Deze verschillende divisies hebben namen gekregen, zoals Cambrium of Trias. Er is dus een volgorde, dat is gewoon een waarneming waar iedereen het over eens is. En de indeling in divisies is een logische stap vanuit deze waarneming. Maar geologen zijn deze verschillende divisies gaan toeschrijven aan opeenvolgende perioden in de aardgeschiedenis. Deze tijdsfactor is geen direct waarneming, maar een interpretatie. En met die interpretatie hoeven we het niet (of niet volledig) eens te zijn. De geologische kolom (zie afbeelding 1) is inmiddels onderdeel geworden van het heersende paradigma, dat zegt dat de aarde miljarden jaren oud is en het leven zich geleidelijk heeft ontwikkeld. In eerste instantie konden aan die veronderstelde ‘perioden’ alleen relatieve dateringen worden gedaan. D.w.z.: een fossiel uit het Carboon is ouder dan een fossiel uit het Perm, maar jonger dan een fossiel uit het Devoon. Pas na de opkomst van radiometrische dateringsmethoden is men ‘absolute’ jaartallen gaan toekennen aan de perioden. (Aan deze dateringsmethoden kleven allerlei bezwaren, maar daar zal ik hier niet op ingaan.)
Afbeelding 1: De geologische kolom. De onderste lagen zouden de oudste zijn, en de bovenste de jongste. Binnen het evolutieraamwerk betekent de volgorde van de fossielen dus een opeenvolging van verschillende levensvormen. Nadat een nieuwe soort geëvolueerd is ‘verschijnt’ deze in het fossielenbestand, en de soort ‘verdwijnt’ weer wanneer deze uitsterft. Het interval tussen het verschijnen en het verdwijnen van een groep organismen wordt de ‘stratigrafische range’ genoemd. Trilobieten (ondergebracht onder het taxon: KLASSE Trilobita) komen voor in aardlagen van het Cambrium, Ordovicium, Siluur, Devoon, Carboon en Perm. De klasse Trilobita heeft dus een stratigrafische range dat loopt van het Cambrium tot en met het Perm. Als we het evolutionistische kader volgen in 1) de aanname dat de divisies ‘perioden’ zijn, en 2) de ‘absolute dateringen’ die aan die perioden worden toegekend, kunnen we de stratigrafische range van trilobieten ook uitdrukken als: van 542 miljoen jaar geleden (het begin van het Cambrium) tot 251 miljoen jaar geleden (het einde van het Perm). Oftewel: 542-251 MJG. De indeling van aardlagen in verschillende divisies (geïnterpreteerd als perioden) is gebaseerd op ‘volgorde’. De mate van volgorde is op zijn beurt weer afhankelijk van korte stratigrafische ranges. Immers, als alle groepen lange stratigrafische ranges zouden hebben, zodat ze allemaal overlapten, zou er geen sprake zijn van een volgorde van fossielen. Het in het begin genoemde argument dat anticreationisten gebruiken tegen het zondvloedmodel komt dus eigenlijk hier op neer: “In het fossielenbestand is duidelijk te zien dat groepen organismen een korte stratigrafische range hebben. Als de aardlagen en fossielen tijdens de zondvloed ontstaan zouden zijn, zouden groepen zúlke lange stratigrafische spanwijdten hebben, dat er helemaal geen duidelijke volgorde waarneembaar zou zijn.” In het artikel De Zondvloed en het Fossielenarchief wordt enigszins uitvoerig op dit argument ingegaan. Ten eerste geef ik een aantal redenen waarom de mate van volgorde in feite veel minder is dan het lijkt. Dat er een volgorde is wordt niet ontkent, maar de volgorde is deels kunstmatig en veel minder scherp dan gedacht wordt. Ten tweede lever ik een aantal mechanismen die de werkelijke, beperktere volgorde kunnen verklaren binnen een Bijbels kader. Het doel van dit artikelEén van de redenen waarom de mate van volgorde in feite veel minder is, die ik in De Zondvloed en het Fossielenarchief noem, wil ik in dit artikel uitgebreid documenteren. Deze reden is de trend dat stratigrafische ranges steeds langer worden naarmate er meer fossielen gevonden worden. Het komt veel voor dat fossiele overblijfselen van een groep organismen gevonden worden in hogere (‘jongere’) of lagere (‘oudere’) aardlagen dan ze tot dan toe gevonden waren. Zo’n vondst behelst een verlenging van de stratigrafische range van deze groep.
Afbeelding 2: Verlenging van stratigrafische range. De kolom stelt een doorsnede van de aardlagen voor. Een fossiel die oorspronkelijk alleen in de middelste laag gevonden werd, is nu ook in de laag eronder en de laag erboven aangetroffen. Binnen het evolutieraamwerk betekent een strekking naar boven dat een groep later is uitgestorven dan eerst gedacht werd, en een verlenging naar beneden betekent dat een groep eerder is geëvolueerd dan aanvankelijk werd aangenomen. Het plastische evolutieparadigma kan dit soort gegevens moeiteloos slikken: het vervormt zich gewoon naar de data. Dat onderstreept maar weer eens dat het evolutieraamwerk eigenlijk geen falsifieerbare wetenschappelijke theorie is, zoals hier verder uiteengezet. Het vervolg van dit artikel is een lijst voorbeelden van stratigrafische range verlengingen. Om de omvang van de verlengingen uit te drukken, maak ik gebruik van de officiële namen van de zogenaamde perioden, en zet ik er waar mogelijk de bijbehorende dateringen bij. Deze dateringen zijn niet realistisch (zie Geologie / dateringen), maar maken het voor de lezer gemakkelijker. Over het algemeen heb ik het kort en bondig gehouden, maar bij sommige voorbeelden (bijvoorbeeld bij de vogelbekdieren en de Pentastomida) was het de moeite waard er een wat langer verhaaltje van de maken. Om het een beetje actueel te houden heb ik me beperkt tot vondsten vanaf 1990. Camptochlamys (tweekleppige schelpdieren)Camptochlamys is een geslacht van tweekleppige schelpdieren dat voorheen alleen in aardlagen uit het Midden en Laat Jura werd gevonden. Maar de vondst van Camptochlamys alaskensis in lagen die gedateerd worden rond de grens van het Krijt en Tertiair, voegt aan de range van deze groep organismen een slordige 70 miljoen jaar toe:
Neoguadalupia (sponsdier)In het Wallowagebergte in Oregon is de spons Neoguadalupia oregonensis gevonden in aardlagen uit het Laat Trias. Het is daarmee de eerste geauthenticeerde vondst van een Neoguadalupia buiten het Perm. Deze ontdekking voegt een volledige geologische periode toe aan de stratigrafische spanwijdte van Neoguadalupia.
VertebratenDe vertebraten, ofwel gewervelden, hebben inmiddels een behoorlijke historie van steeds langer wordende stratigrafische ranges. Begin jaren ’70 stamden de oudste vertebraten uit het Midden Ordovicium. Ontdekkingen in 1976 en 1977 duwden het eerste verschijnen van vertebraten 20 miljoen jaar verder in het verleden, naar het Vroeg Ordovicium. In 1978 werd bekend dat sporen van de vis Anatolepis waren gevonden in gesteenten van het Laat Cambrium, wat de stratigrafische spanwijdte van vertebraten nog 40 miljoen jaar uitrekte. (Repetski, 1978) Latere vondsten hebben de aanwezigheid van gewervelden in het Laat Cambrium bevestigd. (Young et al., 1996) Maar ook daar bleef het niet bij. In 1999 werden twee fossiele vertebraten gerapporteerd die waren gevonden bij Haikou, China. De twee fossielen, die de namen Haikouichthys en Myllokunmingia kregen, waren gevonden in gesteenten behorend tot het Vroeg Cambrium en zouden dus een leeftijd van zo’n 530 miljoen jaar hebben. (Shu et al., 1999) Enige tijd later werden van Haikouichthys nog eens 500 fossielen gevonden, ook in het Vroeg Cambrium. (Shu et al., 2003) Vertebraten kwamen dus al voor tijdens de befaamde Cambrische Explosie. Daarmee strekt de stratigrafische range van vertebraten zich nu uit over nagenoeg het volledige Fanerozoïcum.
Colosponginae / Nucha? (sponsdier)Het geslacht Nucha is een onderdeel van de subfamilie Colosponginae (behorend tot de sponzen), en werd oorspronkelijk alleen in het Midden Cambrium aangetroffen. Maar op Vancouvereiland is een groot aantal fossielen van deze sponzen gevonden, in de bovenste lagen van het Trias. Dit betekent een verlenging van de stratigrafische range met maar liefst 300 miljoen jaar!
Dasycladeae (groenwier)De fossiele soort Uncatoella verticillata werd oorspronkelijk ergens in de klasse Charophyta ondergebracht, maar meer gedetailleerde analyses plaatsen deze soort in de klasse Chlorophyta (groenwieren) en wel in het tribus Dasycladeae. Maar de Dasycladeae waren tot dusverre alleen gevonden in gesteenten vanaf het Laat Jura, terwijl Uncatoella verticillata voorkomt in het Vroeg Devoon. Dit betekent dus een spectaculaire verlenging van de stratigrafische spanwijdte van Dasycladeae van 230 miljoen jaar.
PentastomidaPentastomida zijn een bijzondere groep parasieten die de meeste op het land levende vertebraten als host kunnen gebruiken. Ze komen de gastheer binnen via het verteringsstelsel, en komen in het milieu interieur terecht door zich door de darmwand te boren. Er zijn ongeveer 110 soorten bekend. Jarenlang was de taxonomische positie van Pentastomida onderwerp van veel discussie, maar sinds de publicatie van een onderzoek van Abele (1989) worden ze geclassificeerd als subklasse van de Maxillopoda: FYLUM Arthropoda (geleedpotigen) Tot redelijk recent waren er nog nooit Pentastomida als fossielen gevonden. Het gebrek aan fossiel bewijsmateriaal gaf evolutionisten de ruimte vrijelijk te speculeren over de oorsprong van deze groep organismen. Omdat Pentastomida parasiteren op terrestrische vertebraten, en aangezien op het land levende vertebraten pas in het Laat Devoon zouden zijn geëvolueerd (ongeveer 365 miljoen jaar geleden), werd aangenomen dat ook de Pentastomida niet eerder dan tijdens het Laat Devoon zijn ontstaan. Stephen Jay Gould merkt op:
In 1994 werd echter de eerste ontdekking van een aantal fossiele pentastomidelarven gerapporteerd door Walossek en Müller (1994). In welke lagen werden deze microfossielen gevonden? In het Laat Cambrium! De ontdekking schoof de oorsprong van deze subklasse terug naar zeker 500 miljoen jaar geleden, volgens de evolutionistische tijdschaal. Niet alleen strekt deze vondst de stratigrafische range van de Pentastomida tot in het Cambrium, de fossielen vertonen bovendien verbazingwekkend veel gelijkenis met de moderne Pentastomida, zoals Walossek en Müller vaststellen:
Dus in 500 miljoen jaar tijd, een immens lange periode, zijn er verbazingwekkend genoeg bijna geen morfologische veranderingen opgetreden. En dat terwijl Pentastomida zich over die periode aan heel andere gastheren hebben moeten aanpassen. Zoals in het bovenstaande taxonomische schemaatje staat weergegeven worden de Pentastomida gerekend tot de Maxillopoda. Dat betekent dat evolutionisten van mening zijn dat de Pentastomida het nauwst verwant zijn aan de overige organismen binnen de klasse Maxillopoda. Aangezien er naast de Pentastomida ook andere fossiele Maxillopoda zijn gevonden in Cambrische gesteenten, zijn interessante vergelijkingen mogelijk. Je zou verwachten dat deze zustergroepen (de Pentastomida en de overige Maxillopoda) 500 miljoen jaar geleden, toen het nog veel recenter was dat hun laatste gezamenlijke voorouder leefde, veel meer op elkaar leken dan tegenwoordig. Maar dat blijkt niet het geval. De kloof tussen de Pentastomida en de andere Maxillopoda was 500 miljoen jaar geleden al net zo wijd als tegenwoordig!
Afbeelding 3: De verschillen tussen Pentastomida en andere Maxillopoda waren in het Cambrische tijdperk al net zo groot als tegenwoordig. Naar Walossek & Müller, 1994, p. 34.
LystrosaurusLystrosaurus is een fossiel genus dat wordt gerekend tot de ‘zoogdierachtige reptielen’. Lystrosaurus wordt op zeer veel plaatsen ter wereld aangetroffen, soms in grote getale, maar de stratigrafische verspreiding van het genus lijkt beperkt te zijn tot het Vroeg Trias. Door deze combinatie van een brede geografische verspreiding en een smalle stratigrafische range, is Lystrosaurus veelvuldig gebruikt als indexfossiel:
Dat wil zeggen dat de aanwezigheid van Lystrosaurus werd gebruikt om aardlagen te dateren als stammend uit het Vroeg Trias. (Tussen haakjes: dat is de normale gang van zaken. Aardlagen worden over het algemeen niet gedateerd m.b.v. radiometrische dateringsmethoden, maar via de indexfossielen die ze bevatten.) Maar daar is verandering in gekomen: resten van Lystrosaurus zijn nu ook aangetroffen in het Laat Perm. Dit is geen vergaande strekking van de stratigrafische range, aangezien het Laat Perm direct wordt opgevolgd door het Trias. Maar het is wel een buitengewoon belangrijke strekking, vanwege de status als indexfossiel. Enkel de aanwezigheid van Lystrosaurus kan nu dus niet meer worden gezien als indicatief voor het Vroeg Trias.
Bovendien is de grens tussen het Perm en het Trias tevens de grens tussen de era’s Paleozoïcum en Mesozoïcum. Lystrosaurus doorkruist nu deze grens, waarvan anders gedacht wordt dat die zo scherp is.
Poaceae (Grassen)Tot voor kort gingen evolutionisten ervan uit dat de diversificatie van grassen pas plaatsvond tijdens het Paleogeen, zo’n 55 miljoen jaar geleden. Dat is na het verdwijnen van de dinosauriërs aan het eind van het Krijt, 65 MJG. In een artikel over de evolutionaire geschiedenis van grassen schreef Elizabeth Kellogg in 2001, onder het veelzeggende kopje “DINOSAURS DID NOT EAT GRASSES”:
Maar enkele jaren later werden in coprolieten van sauropoden, met een veronderstelde ouderdom van 65 tot 71 miljoen jaar, fytolieten van grassen gevonden. Coprolieten zijn fossiele uitwerpselen, en fytolieten zijn kleine silicadeeltjes die in veel planten voorkomen. Oftewel: dinosauriërs aten wel degelijk grassen! Deze vinding verwijst de eerdere evolutionistische speculaties over de timing van het ontstaan en de diversificatie van grassen naar de prullenbak. Uit de nieuwe data blijkt namelijk dat grassen reeds in het tijdperk van de dinosauriërs een onverwacht hoge mate van diversiteit hadden bereikt. In commentaar op deze ontdekking schrijven Piperno en Sues:
De onderzoekers stellen:
VaatplantenVaatplanten, of Tracheophyta, zijn alle planten met de vaatweefsels xyleem en floëem. Door xyleem wordt water vanuit de wortels naar de rest van de plant gezogen, en via het floëem worden vanuit het fotosynthetisch weefsel (vaak bladeren) voedingsstoffen getransporteerd. De oudste onbetwistbare fossiele vaatplanten stamden uit het Laat Siluur, tot een in 1996 gerapporteerde heranalyse van een eerder gevonden fossiel uitwees dat dit waarschijnlijk een overblijfsel van een uitgestorven vaatplant is. Gezien de leeftijd van het fossiel, duwt dit de vermeende evolutionaire oorsprong terug naar minstens het Vroeg Siluur.
VogelbekdierenVogelbekdieren vormen samen met de mierenegels de orde Monotremata. Het fossiele verslag van de Monotremata is zeer beperkt, maar dat weerhoudt evolutionisten niet van ongefundeerde speculaties over de gemeenschappelijke afstamming van vogelbekdieren en mierenegels. (Uiteraard, want binnen het evolutieraamwerk, waar zij heilig in geloven, zijn alle organismen per definitie aan elkaar verwant.) Het tot voor kort oudste onmiskenbare vogelbekdierfossiel stamt uit het Mioceen en is volgens de evolutionistische tijdsrekening 15 miljoen jaar oud. Enkele tanden en stukjes kaak van rond de grens van het Krijt en het Cenozoïcum (65 MJG) werden geplaatst rond de stam van de veronderstelde afstammingsboom der Monotremata. Een heel aantal studies waarbij gebruik werd gemaakt van moleculaire klokken, gaven zeer diverse dateringen voor de splitsing van vogelbekdieren en mierenegels, variërend van 17 tot 80 miljoen jaar. (Bij moleculaire klok analyses wordt gekeken naar de moleculaire – genetische – verschillen tussen groepen, en wordt die vergeleken met de snelheid waarmee die verschillen zich opstapelen. Met deze gegevens probeert men te bepalen wanneer de laatste gezamenlijke voorouder van deze groepen heeft geleefd. Merk op dat het bestaan van deze ‘gezamenlijke voorouder’ hierbij een uitgangspunt is, niet een conclusie.) Maar dankzij een recente heranalyse van een fossiel kaakfragment genaamd Teinolophos, kunnen al deze evolutionistische speculaties naar de papierrecycling. Teinolophos blijkt namelijk een vogelbekdier te zijn, en wel eentje van een verbijsterende 112,5 – 121 miljoen jaar oud!
De vondst vertegenwoordigt een sensationele verlenging van de stratigrafische range van vogelbekdieren, en duwt tevens de veronderstelde gemeenschappelijke voorouder van vogelbekdieren en mierenegels een fors eind in het verleden. En bovendien is er nu geen overeenstemming meer tussen de fossiele gegevens en de schattingen op basis van moleculaire klokken:
Om de gegevens weer met elkaar in harmonie te brengen, suggereren de onderzoekers dat Monotremata veel langzamere klokken hebben dan andere groepen. Ze herhalen drie eerdere analyses, maar dan met een ‘relaxte klok’:
Van de drie langzamere klokken, gaf slechts één een resultaat waarvan het 95% interval (55,6 – 130,8 miljoen jaar) overlapte met de leeftijd van Teinolophos. Het doel van dit artikel is te illustreren dat stratigrafische spanwijdtes gestaag toenemen naarmate er meer fossielen gevonden worden, en het vogelbekdier is daar een sprekend voorbeeld van. Maar daarnaast kunnen we van deze zaak nog iets leren, namelijk dat onderzoeksresultaten binnen het evolutionistische paradigma lang niet altijd consistent zijn, maar met veel moeite op elkaar afgestemd moeten worden. Dat geldt niet alleen in het geval van vogelbekdieren, maar is de algemene praktijk. In tegenstelling tot onbevooroordeelde professionals, die altijd het bewijsmateriaal tot hun logische conclusies volgen (een naïef plaatje wat veel mensen bij wetenschappers hebben), zijn paleontologen en evolutiebiologen in feite trouwe gelovigen in een overkoepelend evolutionistisch wereldbeeld, waaraan nooit getwijfeld mag worden. En alle gegevens worden binnen dat kader geïnterpreteerd. Als hypothese A (vogelbekdieren en mierenegels splitsten 17 – 80 miljoen jaar geleden) door het bewijsmateriaal verworpen wordt: geen probleem! We formuleren gewoon hypothese B: vogelbekdieren en mierenegels splitsten enkele tientallen miljoenen jaren eerder. Maar dat is in strijd met moleculaire klokken, wat nu? Niks aan de hand, we doen simpelweg wat extra berekeningen, uitgaande van een langzamere klok. En kijk aan! Eén van de drie langzamere klokken geeft een uitslag die breed genoeg is (130,8 tot 55,6 miljoen jaar) om de leeftijd van het fossiel te omsluiten. Alle gegevens zijn consistent! Ode aan het onwankelbare evolutiebouwwerk! De boodschap moge duidelijk zijn: het evolutiemodel is geen wetenschappelijke theorie die onderzoekers op dagelijkse basis aan kritische tests onderwerpen. Zoals Karl Popper al zei is het een metafysisch onderzoeksprogramma, een overkoepelend raamwerk waarbinnen toetsbare hypotheses worden geformuleerd, maar die zelf boven iedere twijfel of kritiek verheven is. Wat zijn nou eigenlijk de redenen om überhaupt te geloven dat vogelbekdieren en mierenegels een gezamenlijke voorouder hebben? Als we ons ontdoen van de onbewezen evolutionistische aanname dat overeenkomsten perse moeten wijzen op gemeenschappelijke afstamming, is er geen enkele reden om dat te geloven. Ieder spoor van een fossiele gezamenlijke voorouder ontbreekt, evenals de tussenschakels die de geleidelijke overgang van deze voorouder in vogelbekdieren resp. mierenegels zouden kunnen illustreren. En het oudste vogelbekdier is, inderdaad, gewoon een vogelbekdier.
WeekschildkeversVeel soorten kevers beschikken over chemische verdedigingswapens. Zo ook de weekschildkevers van het geslacht Cantharis. In 2007 werd in het Journal of Chemical Ecology verslag uitgebracht van de ontdekking van een weekschildkever in barnsteen (fossiele hars), die in het hars verstrikt is geraakt tijdens zijn chemische oorlogsvoering. Ook werd er in het barnsteen een antenne gevonden van een aanzienlijk groter insect, en deze antenne zat gedeeltelijk onder de substantie die door de kever was uitgescheiden. Al met al een indrukwekkend snapshot uit het verleden. Terugkijkend moeten we helaas wel vaststellen dat het uiteindelijk met beide insecten slecht is afgelopen. Wat ook erg bijzonder is, is dat dit fossiel op de evolutionistische tijdsschaal zo’n 100 miljoen jaar oud is. Het is daarmee met afstand het ‘oudste’ bewijsmateriaal voor chemische oorlogsvoering, en duwt tevens het eerste verschijnen van Cantharis een goede 60 miljoen jaar dieper in de geologische kolom.
DegenkrabbenDegenkrabben (orde Xiphosurida) vormen eigenlijk de antithese van evolutie. Ze komen al zeer diep in de geologische kolom voor, in aardlagen die volgens evolutionisten honderden miljoenen jaren oud zijn. Maar deze fossiele degenkrabben verschillen eigenlijk niet fundamenteel van huidige, levende degenkrabben, en daarom worden ze gezien als ‘levende fossielen’. Gedurende al die tijd is er amper sprake geweest van evolutie. Recentelijk is de stratigrafische spanwijdte van degenkrabben ook nog eens met minstens 80 miljoen jaar uitgebreid.
SynziphosurineDe synzipsurines waren op degenkrabben gelijkende dieren die nu zijn uitgestorven. De laatste jaren is de stratigrafische range in beide richtingen uitgebreid. In 2005 werd de ondergrens van de stratigrafische range (het ‘verschijnen’ in de geologische kolom) van synziphosurines verlegd van het Wenlock (Midden Siluur) naar het Llandovery (Vroeg Siluur). In 2007 werd ook de bovengrens van de range verlegd, namelijk van het Laat Devoon naar het Namurian (Vroeg Carboon).
ReuzensalamandersHet fossielenbestand van de reuzensalamanders (Cryptobranchidae) ging tot voor kort terug tot het Paleoceen (56 miljoen jaar geleden op de uniformitarianistische tijdschaal). Maar een opzienbarende vondst van liefst 200 reuzensalamanders uit het Midden Jura heeft daar verandering in gebracht. Binnen het evolutionistische paradigma duwt deze ontdekking het eerste verschijnen van de reuzensalamanders een dikke 100 miljoen jaar dieper in de geologische kolom. Hoppa! Zomaar eventjes honderd miljoen jaar, alsof het niets is!
Deze ontdekking spreekt (zoals de meeste andere vondsten die in dit artikel vermeld worden) op verschillende manieren in het voordeel van het scheppingsmodel:
Gekko’sOnlangs is in het zuidoost Aziatische land Myanmar (Birma) in barnsteen (dat is gefossiliseerd hars) de linkerachtervoet en een stukje staart van een gekko gevonden. De voorheen oudste gekko stamde uit het Eoceen en had een veronderstelde leeftijd van 54 miljoen jaar. Aan de nieuwe vondst wordt een leeftijd van 97 tot 110 miljoen jaar toegeschreven, en dat strekt de stratigrafische range van de gekko’s dus een goede 43 tot 56 miljoen jaar uit. Veel gekkosoorten hebben onder hun voeten kleine huidplooitjes, lamellen, die de pootjes buitengewoon plakkerig maken. Dit geeft gekko’s een indrukwekkend klimvermogen op vele oppervlakten; het stelt ze zelfs in staat ondersteboven over het plafond te lopen! De nieuwgevonden fossiel, die de naam Cretaceogekko heeft gekregen, beschikt over deze zelfde lamellen.
DiatomyidaeEnkele jaren geleden bleek een voedselmarkt in Laos een grote verrassing in petto te hebben voor Westerse zoölogen. Robert Timmins, van de Wildlife Conservation Society, trof er een tot dan toe voor de wetenschap onbekend knaagdier aan, dat onder de lokale bevolking bekend stond als ‘kha-nyou’, ofwel ‘rotsrat’. Het dier was al gedood, en stond op het programma voor de kebabspies. De wetenschappers die het knaagdier onderzochten vonden het zó verschillend van alle andere zoogdieren, dat het in een eigen familie werd ingedeeld, de Laonastidae. Maar een klein jaar later volgde er nog een verrassing. De rotsrat was namelijk helemaal niet nieuw! De rotsrat bleek te behoren tot de familie Diatomyidae, die alleen van het fossielenbestand bekend was. Van de Diatomyidae werd echter gedacht dat ze al sinds het Laat Mioceen waren uitgestorven, een flinke 11 miljoen jaar geleden. De nieuwe soort (waar nu ook videomateriaal van is) verlengt de stratigrafische range van de Diatomyidae tot aan het heden. Vondsten als deze tonen aan dat als een organisme niet in aardlagen uit een bepaald ‘tijdperk’ wordt gevonden, dat nog niet wil zeggen dat het organisme in die tijd niet bestond. De familie der Diatomyidae wordt niet gevonden in lagen van het Plioceen en Pleistoceen, maar heeft gedurende die periode wel bestaan.
KwallenKwallen (subfylum Medusozoa) zijn skeletloze en dus kwetsbare dieren, die daardoor moeilijk fossiliseren. En als ze al fossiliseren, zijn ze vaak lastig te identificeren. Tot voor kort waren de oudste fossielen waarvan met zekerheid gezegd kon worden dat het kwallen waren 300 miljoen jaar oud. Een recente vondst van een aantal fossielen uit het Midden Cambrium strekt de stratigrafische range van de medusozoa ruim 200 miljoen jaar uit. De onderzoekers laten zich voorzichtig uit:
Ondanks de onzekerheid over de exacte indeling van deze nieuwe fossielen, kunnen we hier twee dingen uit opmaken:
LampreienLampreien en slijmprikken zijn de enige nog bestaande groepen kaakloze vissen, en worden doorgaans samen ingedeeld bij de klasse Cyclostomata (cyclo voor ‘rond’ en stoma voor ‘mond’: rondmondigen). Oorspronkelijk dacht men dat de meest recente gezamenlijke voorouder van de lampreien en slijmprikken tijdens het Mesozoïcum leefde, maar de ontdekking van lamprei- en slijmprikfossielen in het Carboon bracht daar verandering in.
Een nieuwe vondst, Priscomyzon riniensis, heeft het vroegste verschijnen van de lampreien nóg eens een stuk dieper in de geologische kolom geduwd, dit maal naar het Laat Devoon.
Wederom kunnen we drie observaties doen:
ReferentiesAbele, L.G. et al., 1989, Molecular Evidence for Inclusion of the Phylum Pentastomida in the Crustacea, Molecular Biology and Evolution, vol. 6, no. 6, p. 685-691.
|





