Afdrukken

De Zondvloed en het Fossielenarchief

Eén van de grootste verschillen tussen het scheppingsraamwerk en het evolutieraamwerk is de interpretatie van de aardlagen en het fossielenbestand. Evolutionisten zijn van mening dat de aardlagen over honderden miljoenen jaren ontstaan zijn. In verschillende tijdperken leefden verschillende soorten organismen, daarom worden in aardlagen van verschillende leeftijden andere soorten fossielen gevonden. Binnen het bijbelse raamwerk, daarentegen, zijn de meeste aardlagen gevormd tijdens de zondvloed. Dat aardlagen verschillende soorten fossielen bevatten kan dus niets te maken hebben met verschillende tijdperken waarin deze soorten geleefd hebben.

Anti-creationisten beweren vaak dat er van de onderste naar de bovenste aardlagen een ‘volgorde’ te zien is in de fossiele inhoud van de aardlagen, en dat deze volgorde niet in overeenstemming is met een wereldwijde zondvloed. In dit artikel zullen we dit dit argument nader onder de loep nemen.

De geologische kolom

De indeling en volgorde van de fossielen heeft geologen in staat gesteld een geologische kolom op te stellen van de aardlagen. Het idee is dat er een verticale opeenvolging bestaat (van onder naar boven = van oud naar jong) waarin fossielen voorkomen, en deze volgorde is overal ongeveer hetzelfde. Bijvoorbeeld trilobieten worden altijd onder dinosauriërs gevonden, nooit andersom. Dit zou er op duiden dat de trilobieten eerder bestaan hebben dan de dinosauriërs. Op die manier hebben geologen een overzicht gemaakt van opeenvolgende tijdperken, die allemaal miljoenen jaren hebben geduurd. De geologische kolom is in feite een overzicht van de verschillende (veronderstelde) geologische perioden, en de soorten fossielen die in die perioden voorkomen.

Afbeelding 1: De geologische kolom.

Het blijkt dat sommige groepen fossielen een lange stratigrafische range hebben. Dat wil zeggen dat ze in aardlagen (strata) van meerdere geologische perioden voorkomen. Bijvoorbeeld fossielen van het geslacht Cyrtina (een brachiopode) komen voor in aardlagen van het Devoon, Carboon én Perm. Veel andere groepen hebben juist een korte stratigrafische range. Die komen alleen in lagen van één geologische periode voor. Bijvoorbeeld fossielen van het geslacht Paradoxides (een trilobiet) komen alleen voor in het Midden-Cambrium.

Fossielen die een korte stratigrafische range hebben, maar in de aardlagen wáár ze voorkomen, wel redelijk veelvuldig gevonden worden, worden gebruikt als gidsfossielen. Als men eenmaal vastgesteld heeft dat een fossiele familie alleen voorkomt in het Ordovicium, zal men voortaan alle lagen waarin deze familie gevonden wordt labelen als behorend tot het Ordovicium. Gidsfossielen zijn van essentieel belang geweest bij het vormgeven van de geologische kolom, aangezien de verschillende tijdperken gedefinieerd zijn op basis van de fossielen die ze bevatten.

Afbeelding 2: Geologische perioden en de bijbehorende gidsfossielen.

Het concept van een geologische kolom lijkt misschien best aannemelijk, maar we moeten niet vergeten dat alleen de verticale volgorde enigszins empirisch is. De tijdperken zijn slechts een interpretatie. Het is lang zo gek nog niet dat dezelfde volgorde ontstaan zou kunnen zijn zonder te moeten veronderstellen dat de opeenvolgende fossiele organismen in verschillende tijden geleefd hebben.

We zullen nu eerst kijken naar hoe sterk het fossielenarchief nu werkelijk duidt op een geologische kolom. Daarna zullen we bekijken of het werkelijke fossielenarchief verklaarbaar is met een wereldwijde zondvloed.

De volledige geologische kolom komt bijna nergens voor

Het is niet zo dat we overal ter wereld aardlagen vinden van alle leeftijden. Integendeel, de volledige geologische kolom wordt bijna nergens aangetroffen. Op de meeste locaties worden minder dan de helft van de geologische perioden aangetroffen. Dit is duidelijk aangetoond in een uitgebreid onderzoek van de creationistische geoloog John Woodmorappe (1981).

De ‘geologische kolom’ is dus samengesteld door de opeenvolging van fossielen in het ene gebied door te trekken naar andere gebieden, al liggen daar grotendeels andere fossielen. De afbeelding hieronder is een versimpelde weergave hiervan met slechts drie soorten fossielen op zes locaties:

Afbeelding 3: Het formuleren van een ‘geologische kolom’ door gegevens van de ene locatie door te trekken naar andere locties. (De ‘locaties’ in deze afbeelding zijn fictief en slechts als voorbeeld bedoeld.)

De afbeelding geeft de doorsnede van de aardlagen op zes locaties weer, en de posities waar drie soorten fossielen worden gevonden. Deze doorsneden en posities van fossielen vormen in dit voorbeeld de waargenomen feiten. De rode lijnen, die de grenzen tussen perioden aangeven, zijn geen feiten maar interpretatie. Het is belangrijk dit te benadrukken: dat de trilobieten, dinosauriërs en zoogdieren hebben geleefd in verschillende tijdperken, aangegeven met de rode lijnen, is slechts een interpretatie. Het enige waar we op grond van de gegevens zeker van kunnen zijn, is dat de fossielen hier en daar in een bepaalde volgorde liggen.

Korte stratigrafische ranges?

De geologische kolom is afhankelijk van groepen fossielen die alleen in bepaalde aardlagen voorkomen (en dus een korte stratigrafische range hebben). Maar hoewel de geologische kolom afhankelijk is van korte stratigrafische ranges, zijn de korte ranges op hun beurt weer een product van de geologische kolom en de werkmethodes van paleontologen en geologen. Er zijn verscheidene redenen om aan te nemen dat de werkelijke ranges waarschijnlijk veel langer zijn dan ze momenteel lijken:

  • In sommige gevallen worden verschillende soortnamen, of zelfs geslachtsnamen, toegekend aan fossielen die er (nagenoeg) hetzelfde uitzien, omdat ze in aardlagen van verschillende ‘perioden’ worden gevonden. Op die manier blijven de stratigrafische ranges van die groepen natuurlijk kunstmatig kort.
  • Zoals hierboven al gezegd worden bepaalde groepen organismen tot gidsfossielen verkozen vanwege hun korte stratigrafische range. Maar vervolgens worden ze gebruikt om de lagen waarin ze gevonden worden te dateren. Hun korte stratigrafische range wordt op die manier zelf-vervullend.
  • Wanneer fossielen worden gevonden buiten hun stratigrafische range, worden deze vondsten vaak wegverklaard. Wanneer fossielen in te oude lagen gevonden worden, wordt dit wegverklaard als zijnde ‘contaminatie’ van de oude lagen (dit wordt vooral bij microfossielen gebruikt). Wanneer fossielen in te jonge lagen worden gevonden, wordt dit wegverklaard door te beweren dat de oorspronkelijke (oudere) laag waarin de fossielen zich bevonden is geërodeerd, en de fossielen vervolgens zijn begraven in jongere lagen. Een lange lijst met dit soort voorbeelden is hier te vinden: Fossiele Anomalieën. Ook op die manier worden stratigrafische ranges kunstmatig veel korter gehouden dan ze in werkelijkheid zijn.
  • Wanneer lagen uit ‘vroege’ tijdperken boven lagen uit ‘recentere’ tijdperken liggen, wordt dit wegverklaard als overschuivingen. Met andere woorden: wanneer een laag waarvan men denkt dat deze zeer oud is (bijvoorbeeld op grond van de erin gevonden fossielen) bovenop een laag ligt waaraan men een lagere leeftijd toedicht, concluderen geologen niet dat ze er al die tijd naast zaten met hun dateringen. Nee, ze concluderen dat de ‘oude’ laag over de ‘jonge’ laag heen is geschoven. In sommige gevallen worden dit soort verklaringen ondersteund door erosiesporen op de plaats waar de gesteenten langs elkaar heen zijn geschoven, maar in andere gevallen is dat niet zo. Wederom blijven stratigrafische ranges zo kunstmatig kort, want dit voorkomt de stratigrafische overlap van fossielen uit verschillende tijdperken.
  • Tot slot kunnen de ranges korter lijken dan ze werkelijk zijn, doordat het aantal gevonden fossielen maar een fractie is van het totaal. Nieuwe vondsten kunnen de stratigrafische ranges verlengen, en dat is ook wat er voortdurend gebeurd. In het artikel Toenemende Stratigrafische Ranges wordt deze trend uitvoerig gedocumenteerd.

Afbeelding 4: Verlenging van stratigrafische range. De kolom stelt een doorsnede van de aardlagen voor. Een fossiel die oorspronkelijk alleen in de middelste laag gevonden werd, is nu ook in de laag eronder en de laag erboven aangetroffen.

Korte stratigrafische ranges hebben het effect de mate van ‘volgorde’ in het fossielenbestand te overdrijven. Dat de echte ranges waarschijnlijk langer zijn, betekent dat de mate van volgorde in werkelijkheid minder is.

De voorzondvloedse wereld was totaal anders

Ondanks het bovenstaande moeten we alsnog toegeven dat er wel degelijk een redelijk consistente volgorde is. Als de huidige wereld getroffen zou worden door een grote overstroming, zouden de resulterende fossielen niet in dezelfde strakke volgorde gesorteerd worden als de volgorde die we in het fossielenbestand waarnemen. Er is natuurlijk wel een zekere verdeling van laag naar hoog (planten en dieren leven vaak specifiek in kuststreken, op vlakten, in hoger gelegen gebieden of op bergketens), en dat zou resulteren in een bepaalde volgorde, maar niet in de volgorde die we in het fossielenarchief waarnemen. Veel organismen die tegenwoordig aan de kust of in het water leven, zoals zeehonden, worden niet onderin het fossielenarchief gevonden, maar juist bovenin.

Maar vóór de zondvloed was de wereld totaal anders ingericht dan tegenwoordig. En dat is niet alleen maar een ad hoc aanname die nodig is om de fossielenvolgorde te kunnen verklaren binnen het zondvloedmodel; er zijn een aantal hele goede redenen om aan te nemen dat de wereld voor de zondvloed heel anders was.

Ten eerste geeft de Bijbel een aantal voorzichtige aanwijzingen dat zaken er voor de zondvloed behoorlijk anders aan toe gingen. Zo was er waarschijnlijk een hele andere waterkringloop (zie Genesis 2:6; verder zou Genesis 9:13 kunnen impliceren dat het voor de zondvloed niet regende) en werden mensen voor de zondvloed vele honderden jaren oud (Genesis 5; hoewel dit minstens zoveel aan genetische factoren gelegen zal hebben als aan het leefmilieu).

Ten tweede was de continentale verdeling van de wereld heel anders. De twee best uitgewerkte zondvloedmodellen, Catastrofale Platentektoniek (Baumgardner, 1994a en 1994b) en de Hydroplatentheorie (Brown, 2009), postuleren allebei grootschalige continentale verschuivingen als het belangrijkste mechanisme voor de overstroming. Evenals binnen de seculiere theorieën over continentale drift heeft het tegen elkaar botsen van continenten binnen het zondvloedmodel gezorgd voor het ontstaan van bergketens. Dit wordt tentatief ondersteund door Psalm 104:8.

Ten derde, en dit is het belangrijkste punt, kunnen we van een ongekend verwoestende catastrofe als de zondvloed niets anders verwachten dan een totale herinrichting van de wereld.

Het is niet moeilijk om te begrijpen dat de zondvloed de fysische geografie van het aardoppervlak compleet zou verwoesten en herschikken. Wat eens een vlakte was, kan nu een bergachtig gebied zijn; wat eens een vochtig gebied was, kan nu een woestijn zijn; waar eens een plateau was, kan nu een continentaal brakwatermeer liggen; wat eens een vruchtbare, nutriëntrijke bodem was, is nu bedekt met honderden meters sediment, et cetera. We kunnen van geen enkele vierkante centimeter van het aardoppervlak aannemen dat het niet significant gewijzigd is tijdens de zondvloed.

Verder staat de zondvloed garant voor enorme veranderingen in de biologische samenstelling van de biosfeer. In eerste instantie was dit een direct gevolg van de catastrofe: sommige soorten zullen compleet gedecimeerd zijn, andere gereduceerd tot kleine populaties, terwijl weer andere soorten het er redelijk goed van af gebracht zullen hebben. Maar nog belangrijker waren de indirecte gevolgen, die een rol speelde tijdens de rekolonisatie onmiddellijk na de zondvloed. De compleet gewijzigde fysische geografie moet van zeer grote invloed geweest zijn op de overlevingskansen van degenen die de zondvloed overleefd hadden. Om nog maar niet te spreken van het versterkende effect dat een veranderde biologische samenstelling op zichzelf heeft. Soorten zijn geen geïsoleerde entiteiten, maar zijn op talloze manieren met andere soorten verbonden, via predator-prooirelaties, mutualisme, commensalisme en parasitisme. Ecosysteem is hier het centrale woord. Hoe succesvol soorten na de zondvloed waren, hing voor een groot deel af van hoe goed de organismen waarvan ze afhankelijk waren (hun ecosysteemgenoten) het er van af gebracht hadden. Dit impliceert een positief feedbackmechanisme voor het al dan niet overleven van ecosystemen: als een aantal essentiële soorten van een ecosysteem door de zondvloed verdwenen waren, zullen ook veel van de andere soorten die tot dit ecosysteem behoorden zich niet hebben kunnen handhaven. Als een behoorlijk aantal leden van een ecosysteem nog aanwezig waren, zullen ook de andere soorten van dit ecosysteem een reële overlevingskans hebben gehad.

Het ligt in de lijn der verwachting dat de meeste voorzondvloedse ecosystemen volledig verwoest zijn en zich na de zondvloed niet meer hebben kunnen herstellen. Sommige zullen zich wel gedeeltelijk hebben kunnen herstellen, maar de meeste tegenwoordige ecosystemen zijn het resultaat van een na de zondvloed opnieuw ingesteld ecologisch evenwicht onder de lokale omstandigheden.

Al met al kunnen we twee conclusies trekken. Ten eerste kunnen we de verwachting uitspreken dat de prezondvloedse wereld een behoorlijk andere biologische samenstelling had. Soorten die voor de zondvloed talrijk waren, kunnen na de vloed zeldzaam zijn geworden of zelfs zijn uitgestorven. En andersom kunnen soorten die voor de zondvloed in kleinere aantallen voorkwamen, of een beperkt leefgebied hadden, zich na de vloed met succes over grote delen van de wereld verspreid hebben. Dit punt alleen is al genoeg om de vraag te beantwoorden hoe het komt dat we in het fossielenarchief planten en dieren aantreffen die nu niet meer bestaan, en waarom er tegenwoordig soorten zijn die we in het fossielenarchief nergens aantreffen. Het verklaart echter nog niet de volgorde waarin de fossielen gevonden worden, maar daarvoor verwijs ik door naar de tweede conclusie:

Ten tweede rechtvaardigt dit creationistische hypotheses die ervan uitgaan dat de prezondvloedse wereld compleet anders was ingericht. Dit is geen ad hoc aanname, want we hebben gezien dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat er een heel andere verdeling was van welke organismen waar leefden. De antediluviale wereld was door de Schepper geordend. De huidige wereld is het resultaat van een rekolonisatie na een vernietigende catastrofe. In de volgende sectie zullen we een aantal creationistische hypotheses tegenkomen die hierop voortbouwen.

Creationistische verklaringen voor de volgorde van fossielen

We hebben gezien dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de stratigrafische ranges in realiteit langer zijn dan ze lijken. De schijnbare volgorde is dan ook enigszins overdreven. Ook hebben we opgemerkt dat de volledige geologische kolom bijna nergens op aarde voorkomt.

Niettemin valt het niet te ontkennen dat de fossielen over de hele wereld een (bijna) consistente volgorde laten zien. Dus hoe valt dat te verklaren binnen een zondvloedmodel? We zullen een aantal factoren bespreken die deze volgorde tot gevolg gehad kunnen hebben.

Differentiële overleving

Het ene organisme zal tijdens de zondvloed langer overleefd hebben dan het andere. Organismen die sneller een hoger gelegen plaats wisten te bereiken, zullen later verzwolgen zijn door de water- en modderstromen. Dus kan er enige sortering op grond van mobiliteit hebben plaatsgevonden. Dit zou bijvoorbeeld de reden kunnen zijn dat vogels alleen in de wat hogere aardlagen gevonden worden.

Dit zou ook ‘de regel van Cope’ kunnen verklaren, dat veel typen dieren tijdens hun evolutie steeds groter worden. Deze regel is gebaseerd op de paleontologische observatie dat fossielen van veel typen steeds groter worden naarmate we naar hogere aardlagen kijken. Deze geobserveerde trend van klein naar groot kan verklaard worden doordat grotere dieren van dezelfde soort beter in staat zijn aan het rijzende water te ontsnappen, en dus pas later verzwolgen worden, en dus in hogere lagen terechtkomen.

Maar we moeten de kracht van dit mechanisme niet overschatten. Het vermogen om aan de rijzende wateren te ontsnappen kan slechts in zeer geringe mate enige ‘volgorde’ verklaren, al was het maar omdat zelfs de meest mobiele landdieren slechts een beperkte afstand kunnen vluchten. Bovendien zou dit mechanisme vooral sorteren op leeftijd: jonge, bejaarde en zieke dieren zouden het eerst omkomen, en daarna de fitte individuen. Verder werkt dit natuurlijk überhaupt niet voor planten – en ook bij planten is een duidelijke volgorde te zien in het fossielenarchief.

Hydrologische sortering

Een door Whitcomb en Morris voorgesteld mechanisme is hydrologische sortering. Het idee is dat organismen tijdens de vloed gesorteerd zijn op grootte, vorm en dichtheid. Deze factor is te zwak om veel invloed gehad te hebben op het algemene patroon van de fossielen distributie, maar kan op lokaal niveau wel een rol gespeeld hebben in de stratigrafische sortering van organismen binnen de ‘perioden’.

Ecologische zonering

Een veel belangrijkere factor die voor de stratigrafische differentiatie (d.w.z. het verschijnsel dat fossielen van groepen organismen beperkt zijn tot bepaalde strata) gezorgd kan hebben, is ecologische zonering. In de huidige wereld vinden we vele ecosystemen met hun karakteristieke bewoners. Op de Afrikaanse savannes leven heel andere organismen dan in een Zuid-Amerikaans regenwoud, waar weer heel andere organismen leven dan op toendra’s of in een koraalrif.

Volgens de ecologische zonering hypothese was de pre-zondvloedwereld nog gestructureerder dan de huidige wereld verdeeld in verschillende ecosystemen. Als de verschillende ecosystemen zich ook nog eens op verschillende hoogten bevonden, zouden organismen uit de hoger gelegen ecosystemen over het algemeen in hogere aardlagen terechtkomen dan organismen uit de lager gelegen ecosystemen.

Afbeelding 5: Verscheidene mariene en landelijke ecosystemen op verschillende hoogten voor de zondvloed.

Ariel Roth schrijft hierover:

In algemene zin komt het fossiele verspreidingspatroon overeen met de huidige ecologie. Op aarde is de huidige volgorde: kleine, ééncellige organismen in de diepere aardlagen, talrijke mariene organismen in de zeeën en terrestrische organismen in de hoger gelegen gebieden. (Roth, 1998)

Maar zoals al eerder opgemerkt, zijn er ook grote verschillen tussen de volgorde die we in het fossielenarchief zien en de huidige ecologie (denk maar aan zeezoogdieren). Ecologische zonering heeft grote potentie om de volgorde in het fossielenbestand te verklaren, maar dan moet de voorzondvloedse wereld wel heel anders ingericht zijn dan de tegenwoordige. (Bijvoorbeeld zeezoogdieren moeten dan voor de zondvloed in continentale zeeën of meren gezwommen hebben, in plaats van in de oceaan.)

Dit is een groot onderzoeksgebied waar creationisten aan zullen moeten werken: hoe zag de voorzondvloedse wereld eruit?

Het TAB-model

Een andere hypothese die een behoorlijk consistente fossielenvolgorde zou kunnen verklaren is het door John Woodmorappe voorgesteld TAB-model (Woodmorappe, 1978). TAB staat voor ‘Tectonically-Associated Biological Province’. Volgens dit model bestonden er voor de zondvloed een aantal ‘biologische provincies’, elk met een eigen karakteristieke flora en fauna en een eigen karakteristieke neiging om tijdens het tektonische geweld van de zondvloed te ‘verzakken’ (neerwaarts te bewegen). De volgorde wordt dan verklaart door het opeenvolgende inzakken van de verschillende provincies, waarbij de organismen die leefden in de provincies met de sterkste neiging tot inzakking in de onderste lagen terecht zouden komen.

Het idee is reeds in de jaren ’80 gepubliceerd, maar sindsdien is er helaas amper follow-up geweest. Het model vereist nog veel verfijning en verdere uitwerking. Tot die tijd is het niet meer dan een hypothese, zij het een hypothese met potentie.

Voor een uitgebreid artikel over deze hypothese, zie: Het TAB-model.

Drijvende bossen

Het laatste model dat ik hier specifiek wil noemen is de ‘drijvende bossen’-theorie van Joachim Scheven (1981). Deze theorie, die primair gericht is op het ontstaan van steenkool, kan een grote variëteit aan observaties verklaren. Kurt Wise heeft op Schevens model voortgebouwd, door te postuleren dat het geleidelijke vergaan van drijvende bossen tijdens de zondvloed, bovendien een volgorde in het fossielenarchief op zou leveren – en wel ongeveer de volgorde die we inderdaad waarnemen in Paleozoïsche planten en landdieren (Wise, 2003).

Voor een uitgebreid artikel over deze theorie, zie: Drijvende bossen (artikel nog onder constructie).

Conclusie

De welbekende geologische kolom is geen geobserveerd feit, maar slechts een interpretatie van de geobserveerde volgorde in het fossielenbestand. Bijna nergens ter wereld vinden we aardlagen van alle ‘perioden’; de geologische kolom is samengesteld door de volgorde in het ene gebied door te trekken naar het andere. Ook is het de vraag in hoeverre die ‘volgorde’ echt kloppend is. Er zijn verscheidene redenen gegeven waarom de werkelijke stratigrafische ranges van groepen organismen waarschijnlijk langer zijn dan momenteel aangenomen wordt. De mate van ‘volgorde’ is in realiteit dus minder.

Niettemin valt het niet te ontkennen dat er wel degelijk een redelijk consistente volgorde is. Creationisten hebben verschillende hypotheses gepostuleerd, die de volgorde in het fossielenarchief (of delen daarvan) zouden kunnen verklaren.

Referenties

  • Baumgardner, 1994a, Computer Modeling of the Large Scale Tectonics Associated With the Genesis Flood, The Proceedings of the Third International Conference on Creationism, pp. 48-62
  • Baumgardner, 1994b, Runaway Subduction as the Driving Mechanism for the Genesis Flood, The Proceedings of the Third International Conference on Creationism, pp. 63-76
  • Brown, 2009, In the Beginning, Compelling Evidence for Creation and the Flood, 8th edition
  • Roth, 1998, Oorsprong: Wetenschap en Bijbel verenigd, p. 180. Oorspronkelijke titel: Origins, Linking Science and Scripture
  • Scheven, 1981, Floating Forests on Firm grounds: Advances in Carboniferous Research, Biblical Creation, vol. 3, no. 9, pp. 36-43
  • Wise, 2003, The Pre-Flood Floating Forest: A Study in Paleontological Pattern Recognition, The Proceedings of the Sixth International Conference on Creationism, pp. 371-382
  • Woodmorappe, 1981, The Essential Non-Existence of the Evolutionary Uniformitarian Geologic Column: A Quantitative Assessment, Creation Research Society Quarterly, vol. 18, no.1, pp. 46-71.
  • Woodmorappe, 1983, A Diluviological Treatise on the Stratigraphic Separation of Fossils, Creation Research Soceity Quarterly, vol. 20, no. 3, pp. 133-185.
 
Evolutie.EU, Powered by Joomla!; Joomla templates by SG web hosting